4. De periode Jonge Belgische Schilderkunst (1945-1948)

Zodra de beroving van vrijheid en de academische esthetiek van de bezetter eindigt met de oorlog, is de tijd gekomen voor Van Lint om door te gaan met het verkennen van een nieuwe beeldtaal, die zoals in het voorbeeld van Ensor en Brusselmans, definitieve emancipatie brengen in de realistische weergave, een taal waarin een bepaald werkelijk object, een excuus vormt om op zoek te gaan naar een abstracte nieuwe samenstelling - die zal de naam dragen "derealizing". Een taal die zoals zijn eerste biograaf het stelt, angstiger is maar ook subjectiever, in staat een nieuw bewustzijn van het leven te kenmerken. Mei 1945, aangemoedigd door zijn nieuwe artistieke zoektocht en bevindingen ontdekt Van Lint de tentoonstelling De Jonge Franse schilders (La Jeune Peinture Française) in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel. Een maand eerder vond de tweede bijzondere tentoonstelling plaats, dit toont aan dat innovatieve gebeurtenissen zich ophopen in de nasleep van de bevrijding. Op 3 juli zal de vereniging De Jonge Belgische Schilderkunst (La Jeune Peinture Belge) worden gelanceerd op initiatief van Robert Delevoy en onder voorzitterschap van advocaat Rene Lust. Deze vereniging brengt twaalf Belgische kunstenaars samen, Louis Van Lint is gekozen om zijn collega's vertegenwoordigen in de Raad van Bestuur, dertig kunstenaars zullen zich nadien toevoegen. Maar de sterren van deze organisatie zijn ongetwijfeld Van Lint, Bertrand, Mendelson, en Cox.  De voorstanders, de patroons van de Jonge Belgische Schilderkunst zullen uiteindelijk ettelijke werken verwerven gesigneerd door de kunstenaars, dewelke te zien waren op talloze tentoonstellingen: in Oostende, Parijs (Galerie de France), Den Haag, Amsterdam en achteraf ook in Buenos Aires, Stockholm, Cairo, Zürich, Bordeaux, Brussel, uiteindelijk in Oxford, Venetië, Bergen, Antwerpen en Rome.

Een magiër van het palet met een levendigheid die hem individualiseert.

Van Lint onderscheidt zich op deze exposities van zijn collega's door de brutaliteit van zuivere kleuren en contrasten die zijn stijl typeren : " Een magiër van het palet met een levendigheid die hem individualiseert " citeert de Parijse kunstcriticus Gaston Diehl,  als hij het werk De strandcabines (Les cabines ou Les tentes) becommentarieerd, een doek dat werd overgenomen door het Museum van Gent. De kunstenaar richt zich op een totaal nieuwe manier om zijn werkelijkheid om te zetten (een kool, een mand, beeldjes en poppen, boten, een lamp, een muziekinstrument, een rooster, een gezicht, een houding), en gebruikt openhartige en contrasterende chromatische harmonieën. We spreken van een vereenvoudigd ontwerp dat de arabesk van de lijn cultiveert en een monumentaliteit van zijn kleurenschema's neerzet. In deze context creëert hij het doek Glazen lamp (Nature morte, Lampe à Verre)terug te vinden in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Brussel. Het is een van de mijlpalen van de besproken evolutie, een voorbode van zijn toetreding tot abstractie.