7. Een warm weerzien met de natuur (1956-1967)

Na het intermezzo van de koude abstractie die zijn sterke formele discipline versterkt, komt Van Lint terug op een lyrische abstractie geïnspireerd door de subjectieve interpretatie van de natuur. Bijzonder gevoelig voor de overvloed van deze natuur zien volgende werken het licht,  Herfst wildernis (Sauvagerie automnale), Vreemde Vegetatie (Etrange vegetation), Kinderen in Oostduinkerke (Enfants à Oostduinkerke), en door aardse complexiteit, roept de schilder de essentie van de composities op door een turbulente aanwezigheid, weggespoeld door een sterke wind.

Kleur is niet essentieel, maar in mijn geval speelt een zekere rol, in de zin dat ik wil dat het verfijnd, zich subtiel uit, want zo is het leven, in toonaarden,  in varianten met accenten, soms gewelddadig, soms zelfs agressief.

Het is de zee die de kunstenaar het meest inspireert tijdens zijn vele bezoeken aan de Belgische kust of Bretagne, hij ervaart een  voldoening lopend op het vochtige zand, snuift de geuren op, laat zich in met een emotionele blik op een hoopje zeewier, schaaldieren, een glinsterende plas water achtergelaten door de zee op het mulle zand, ontdekt al deze vormen, vangt ze op en weerspiegelt ze in houtskool door de daarna geïnspireerde doeken met de titel Mariene spiegels (Miroirs marins) of Mariene Mirage (Mirage marin), een groot doek dat in 1957 in opdracht van het Centrum voor Wetenschappelijk en nucleair te Mol werd ontworpen. Op andere momenten, vindt Van Lint inspiratie in de vorm van meer minerale karakters. Wanneer hij Sint-Joost verlaat, en hij zich voorbereidt op de bouw in Kraainem, ontdekte hij in dit groene dorp, de periferie van de Brussel, een steengroeve uitgehouwen in de heuvels. De zichtbare geologische lagen vormen eerst een aquarel tekeningen en daarna doeken als Geologische sectie (Coupe géologique), een meesterlijk schilderij hedendaags tentoongesteld in het Gentse Museum. In tussentijd, tijdens de vele lopende tentoonstellingen in België en in het buitenland, wordt de kunstenaar steeds meer geëerd en geprezen: hij ontvangt een award van de Guggenheim Foundation in New York en de Grote Prijs van de Belgische critici in Charleroi in 1958, de International Painting Marzotto Prize in Lugano in 1960, de toekenning van een werk beurs van de Belgische Staat in 1961, en een tentoonstelling brengt hulde aan het Museum voor Schone Kunsten van Verviers in 1962.